HET
GENOOTSCHAP
VAN DE
MAROT









NIEUWSBRIEF

Inschrijving Nieuwsbrief
 

Vertelsel

Soep

Een man onder een dikke rode muts kwam na de Azencross op een wel heel erg vreemde manier de feesttent bij Dolf binnengewandeld. Nu ja, wandelen was veel gezegd, men kon beter spreken van waggelen. Door overmatige drankinname was het bewaren van een rechte lijn voor hem tijdens het stappen onmogelijk geworden. Soms neigde hij naar links, elders dreigde hij rechts de bocht uit te gaan. Stapvoets, weliswaar. Maar hij gelukte er tot zijn eigen verbazing in zich staande te houden. En daar leek hij best tevreden mee, niet alles was verloren. Meer nog, het scheen nog slechts zijn enige betrachting niet te vallen. De aandachtige waarnemer van dit tafereel, hoewel er op dat gevorderde uur kon worden getwijfeld of er nog aandachtige waarnemers waren , de aandachtige waarnemer, dus -zal hebben gemerkt dat de man zich bij het staande houden liet begeleiden door een hulpmiddel. Een weipaal, godbetert. Precies van lengte, bovenkant onder de oksel, onderarm die de paal stevig tegen zich aanklemt. Geen gewaggel meer, hier bleef hij staan in de feesttent, leunend op een weipaal. Een mens vraagt zich af waar hij de paal vandaan had, niet waar hij vandaan kwam. Allicht was hij na langdurig verblijf in die andere biertent op de Azencross zijn vrienden kwijt gespeeld en hij had ten lange leste besloten de barre tocht door de mistige vrieskou toch maar aan te vatten. Hij voelde zich misselijk en onderkoeld. Ik zou wel een soep lusten, dat dacht hij ervan. Warm en met ballekes. Bij Dolf. Het vooruitzicht verkwikte hem, maar hij kreeg door de drank werkelijk de ene poot niet voor de andere gezet.



'Een beker warme soep en ik ben gered', mompelde hij.
Het gehele eind van de tent op de cross tot de tent bij Dolf aan de kerk. Vijfhonderd ellenlange meters, moet je rekenen. Hij realiseerde zich dat het niet goed kwam, dat hij zich moest herpakken. Nu niet vallen. Uiteindelijk vermande hij zich en het lukte hem een twintigtal langzame stappen te zetten in de juiste richting. Maar zijn hoofd tolde en zijn lichaam maakte alvast slagzij. Toen werd hij opgevangen door een paar sterke armen die van eenieder konden geweest zijn, maar in dit geval toebehoorden aan een landbouwer van het gespierde soort. De vriendelijke kerel begeleidde hem tot aan een nadarhek waar hij hem tegen aanleunde. Even bekomen, diep ademhalen onder zijn dikke muts en de tocht ging verder, maar ook nu moest hij bijna onmiddellijk zijn poging onderbreken. Hij hield zich vast aan een jong boompje, dat zachtjes met hem meewiegde. De koude, natte mist beet in zijn nek, wat hem er aan deed denken dat hij ergens zijn sjaal was kwijt gespeeld. Men kan zich toch niet voorstellen dat deze doorzopen man er zelf in lukte een weipaal uit de bevroren grond te trekken, daarvoor was hij te ver heen. Noch kon het in dergelijke toestand mogelijk zijn zich zo ver voorover te bukken om een paal van de grond te rapen. Zo 'n man stuikt neer, dat weet je meteen. Neen, het goedertieren op de cross en de bereidwilligheid van de landbouwer indachtig mag men er vanuit gaan dat hem de weipaal werd aangereikt. Dat moet het geweest zijn. Een jongmens die zijn stoerdoenerij wilde omzetten naar een daad van goede intentie bijvoorbeeld en de paal gaf aan wie hem het best kon gebruiken. Onze doorzopen vriend vaarde er wel bij. Welk een geluk hem hier te beurt viel.
'Een weipaal, zeg!' bromde hij vol verwondering.
Waarbij het vanaf toen beter ging, hij gebruikte de paal als een loopkruk. Misschien werd hij nageroepen of toegelachen door andere feestvierders, maar dat maakte hem niets uit. Zolang hij maar op de been bleef. Traag vorderde hij in de juiste richting en het zorgde ervoor dat hij zijn focus terugvond. 'Soep met ballekes en ik ben gered,' stamelde hij welhaast onhoorbaar. Langzaam maar zeker lukte het hem en zo kwam het dat hij met een grote bocht de feesttent bij Dolf indraaide. Even nog dreigde hij zijn evenwicht te verliezen, maar hij kon zich tot zijn verbazing corrigeren en staande houden, de paal stevig tegen zich aangeklemd. Hij was er geraakt, tot twee meter voor den toog en nu kon of durfde hij geen poot meer te verzetten. Het was gedaan, verkrampt door drank en koude. Daar stond hij, op enkele stappen van de warme pompoensoep met ballekes die door de vrouwen van het huis was bereid. Was er dan werkelijk niemand die hem de laatste meters tot aan de toog begeleiden kon? En kijk, omdat de wens de vader van de gedachte was kwamen twee uit de kluiten gewassen manskerels op hem aangestapt. Security, maar dat ontging hem.
'Wat is dat?' vroeg een man met een baard op besliste toon.
'Soep met ballekes...' brabbelde hij verwachtingsvol.
'Daar, onder uwen arm', verduidelijkte de andere.
Het duurde even voor hij begreep dat er een antwoord van hem werd verwacht. Hij keek naar waar men wees en toen wist hij het weer.
'Da 's mijne weipaal', sprak onze vriend, terwijl hij eenmaal vertederd met de ogen knipperde.
'Dat denk ik niet', zei de jongste en met een behendige draai haalde hij de paal onder de man vandaan. Verrast en verschrikt keek onze vriend toe hoe de twee zich van hem verwijderden, met paal en al. Hij stond, als aan de grond genageld. Verbaasd en alleen, maar hij stond. Wat een opluchting. Hij draaide zich naar de toog, haalde nog eenmaal diep adem en zette de eerste van de vier of vijf passen die hem van zijn uiteindelijke redding scheidden.
Toen viel hij om.

De man met de baard